Ach vroeger, u weet wel, de tijd van de gulden. Dan moet ik denken aan de financiële zorgen op de verjaardag van tante Nel. Terwijl ik vanaf de onderkant de slagroom uit een Bossche bol zat leeg te scheppen, vroeg tante aan neef Karel of ze nú pesetas moest kopen, of een half jaar later, vlak voor de vakantie. “Staat ie dan lager. Wat denk jij Karel?”, vroeg ze ondertussen een bakje koffie voor hem inschenkend. Karel werkte bij een bank, toen nog een hele nette baan. Dat vond iedereen, nou ja, behalve opa. Volgens hem waren banken “het schuimde der aarde, uitzuigers en rovers”.

Neef Karel vertelde vervolgens dat de peseta al jaren alleen maar in waarde daalde en dat tante Nel gewoon moest wachten tot een week voor de vakantie. Ieder jaar hetzelfde verhaal. Ging tante Nel naar Italië of Griekenland, een variant. Als tante naar Italië ging kwam Karel steevast met de grap dat je met lires voor weinig de huiskamer kon behangen.

Neef Karel droeg altijd een pak, meestal donkerblauw met of zonder streepje en een te strakke stropdas waardoor de huid in zijn nek leek te gloeien. Neef Karel wist dingen, tenminste dingen die ik nog niet wist. Dat de gulden was gekoppeld aan de Duitse mark bijvoorbeeld.
Een mark was 1,14 gulden waard, altijd. Daarmee waren wij gewoon een economische provincie van Duitsland, zei hij. Wist ik niet. “De gulden is er voor de show, dan lijkt het alsof het van ons is, maar we kunnen net zo goed de mark invoeren.” Bij het laatste deel van de zin fluisterde hij, want er waren nog mensen in de huiskamer die “de oorlog” hadden meegemaakt en bij het idee ooit te moeten gaan betalen met marken “onwel” zouden kunnen worden. Het was volgens neef Karel daarom een beter idee om samen met nog wat andere landen een munt te hebben met een nieuwe naam. Stonden we niet alleen en hadden we de Duitsers er toch bij. “Dat ga jij misschien nog meemaken jongen. Maar goed, van mij hoeft het voorlopig niet hoor”, ging hij verder. “Wij verdienen goed aan het wisselen van geld. Zo’n plan van een munt zou ons bakken vol met geld kosten”, zei Karel, waarna hij moest bulderen van het lachen. Of de grap was dat de bank er zoveel geld mee verdiende of dat het bakken geld zou kosten, was me niet duidelijk. De klap op mijn schouders toen hij was uitgelachen, was net hard genoeg om mijn neus een flink eind de Bossche bol in te drukken.

Een munt is handig, vond neef Karel. Maar dat moest je wel goed uitvoeren en goede degelijke afspraken over maken. Zover ik iets van de crisis begrijp, hebben onze Europese leiders het idee van neef Karel gejat, maar verder niet naar zijn adviezen geluisterd. Karel legde me op een ander feestje ooit uit hoe zijn bank geld verdiende aan het omwisselen van geld. Met die kennis in mijn achterhoofd verdenk ik de grenswisselkantoren ervan al jaren de euro te ondermijnen. Ga maar na, deze gasten hebben een motief. De invoering van de euro was regelrechte broodroof. Als de euro ploft worden er weer lekkere marges gepakt wanneer er  lire’s naar guldens of marken en omgekeerd moeten worden gewisseld. Plus wat kosten, uiteraard. 450 miljoen euro-consumenten die ineens weer allerlei valuta moeten gaan wisselen: kassa! Bankman Nout Wellink zei aan het begin van het jaar in het Financieele Dagblad dat we eens “wat aardiger over banken moeten praten” omdat we ze nodig hebben. Een andere bankman, Boele Staal, zei deze week dat we niet alleen de banken de schuld moeten geven van de crisis. Moeten we ook niet doen, want als de euro ontploft, wie moet ons dan weer gaan helpen met al die aandelen, obligaties, termijncontracten, hypotheken, leningen te wisselen naar zestien verschillende muntsoorten? Dat is een hoop gereken, veel papierwerk en iemand moet het doen. Als je het zo bekijkt heeft ome Nout gelijk en moeten wat aardiger doen tegen die jongens. Maar goed, banken te verdenken van het aansturen op en dreigen met een crisis, zoiets zou echt nooit in me opkomen!

Mocht het onverhoopt misgaan, onze leiders er dit jaar een regelrechte puinhoop van maken en de eurozone ontploffen, is mijn voorstel hoe dan ook de de gulden voorgoed te begraven. Als zou de gulden morgen opnieuw worden ingevoerd, dan geeft dat echt niet hetzelfde gevoel als in pak m beet 1993 of 1975. Een Bossche bol smaakt nooit meer zo lekker als die op de verjaardag van tante Nel. Dat idee. Voor de guldennostalgisten leg ik het één keer uit: het maakt he-le-maal niets uit of een brood 1,50 in euro’s of 3,30 in guldens kost. Voor iedere muntsoort geldt, wat de naam ook moge zijn: wat kan je ermee kopen en hoeveel, wat is de koopkracht?

Komt het complete eurorampenscenario uit, ploft de boel, dan pleit ik ervoor de nieuw in te voeren munt een compleet nieuwe naam te geven. Al was het maar om de gulden jammerende mensen niet hun zin te geven. Euro mislukt? Iedereen die geboren is vanaf de dag van de invoering van de euro krijgt de opdracht een zo belachelijk mogelijke naam voor onze nieuwe munt te verzinnen. Voor straf, omdat onze Europese voormannen het hebben nagelaten gewoon een goed werkend plan hadden om met hetzelfde geld te betalen, betalen we in Nederland voortaan met zukas, in Duitsland met een bullo (der boello) die weer vijf Ierse yotiez (onuitspreekbaar) waard is. Voor 5 miljoen kokotakas krijg je op het terras in Rome een espresso. In België betalen we voortaan met een jerommeke en staat er op ieder biljet een ander stripverhaal. Een financiële Babylonische spraakverwarring. Neef Karel zou nu zeker voor dit plan zijn geweest. Hij voorzag dingen: “Er komt een dag dat we in de geschiedenisboeken worden uitgelachen omdat we zolang met zoveel verschillende valuta’s hebben gehandeld”.

Nog meer lezen?